5 vwo

studiewijzers: periode 1, periode 2, periode 3, periode 4

syllabus 2017

 

periode 1 

Afronding vierde jaar

5v studiewijzer periode 1

lezen

musiceren

  • Voorspeelles: expressie, techniek, voorbereiding, samenwerking, repertoirkeuze
  • Koor: besef dat koor een schoolexamen-onderdeel van muziek is. (zie PTA) Bij te veel afwezigheid leidt dit tot een lagere pensumstand en een lagere beoordeling voor musiceren.

maken

  1. Mozart KV457 t/m de basisvragen - nakijken en nabespreken
  2. Schrijf een minibiografie over naar keuze Beethoven, Mozart of Haydn met bronvermelding. Lengte: 1 A4 letter10
  3. Maak de opgaven 1-15 over het rondo - nakijken en nabespreken.
  4. Maak de opgaven over het menuet - nakijken en nabespreken
  5. Lees de inleiding en maak de opgave over verschillende uitvoeringen van Mozarts 'Don Giovanni' uit de pagina over opera - nakijken en nabespreken

leren

  • Neem onderstaande uit de syllabus door en leer het.
    Peilproef aan het einde van het pensum.

 

 

thema

2e helft 18e eeuw: de verlichting, Weense klassieken: Mozart, Haydn en Beethoven van 1750-1815

onderwerpen

  1. symfonie en sonate

  2. soloconcert

  3. kamermuziek zoals strijkkwartet, pianokwartet of blaaskwintet

  4. ouverture

  5. variatievorm

  6. opera

syllabus / leren

  1. ritme
    • ostinaat ritme
      • voortdurend herhaald ritmisch patroon
    • complementair ritme
      • het ritmne in de ene stem zet zich af tegen een het ritme in een andere stem.
  2. maat
    • hemiool
      • maatwisseling door het gebruikte ritme en niet door nieuw maatteken
  3. tempo
    • allegro
      • vlot
    • andante
      • rustig tempo
    • metronoom en manier van aanduiden
      • metronoomcijfer is tikken per minuur, zoals BPM (beats per minute) =90 betekent dat het tempo van de kwartnoten gelijk is aan 90 kwartnoten per minuut
  4. toonhoogte
    • C - sleutel (altviool)

      l

      • C op middelste lijn is lage c in G-sleutel
  1. toonsoort
    • modulatie, moduleren
      • overgaan naar een andere toonsoort
      • modulatie naar dominant is overgaan naar toonsoort die kwint hoger ligt / overgang naar parallele toonsoort is naar toonsoort met dezelfde voortekens maar dan mineur i.p.v. majeur of andersom
      • melodische functies: tonica of grondtoon, dominanttoon, leidtoon: heeft altijd met spanning (dominant of leidtoon) en ontspanning (tonica) te maken.
      • trappen I II III IV V VI VII
        • altijd het nummer van de grondtoon in de toonladder van dat moment
      • parallelle toonsoorten
        • toonsoort: majeur en mineurladder met dezelfde voortekens, grondtonen liggen kleine terts uit elkaar, zoals C majeur en A mineur
      • leidtoon
        • 7e toon van toonladder, altijd kleine secunde onder tonica, ook in mineur, al zijn er uitzonderingen.
  2. dynamiek
    • overgangsdynamiek
      • met crescendo of decrescendo, ontstaan in deze stijlperiode
  3. samenklank
    • halfslot
      • zin die eindigt op dominant
    • cadens V I
      • afsluitende akkoorden die de toonsoort bevestigd.
    • hoofdttoonsoort
      • begin en einde van stuk staan in deze toonsoort
    • unisono
      • melodie op dezelfde toonhoogte of in octaven
    • dominant septiem
      • majeur drieklank met kleine septiem,
    • verminderd akkoord
      • kleine terts en verminderde kwint op grondtoon
    • orgelpunt
      • lang aangehouden toon, of steeds herhaalde toon
    • cadens IV-V-I
    • gebroken drieklank
    • albertijnse bas
      • begeleiding van voortdurend gebroken akkoorden
  1. uitvoeringspraktijk
    • *hammerklavier, authentieke speelwijze en instrumenten
  2. klankkleur
    • strijkkwartet
      • 2 violen, altviool en cello
    • pianokwartet
      • piano, viool altviool, cello
    • blaaskwintet
      • fluit hobo klarinet hoorn fagot
    • klassiek symfonieorkest en bezetting:
      • fluit hobo klarinet fagot
      • hoorn trompet trombone
      • pauken
      • 1e viool 2e viool altviool cello contrabas
  1. melodische relaties
    • motief
      • muzikaal idee om zinnen, thema's mee te maken: enkele noten tot twee maten lang.
    • motiefherhaling
    • motiefvariatie
    • drieklankmotief
      • stukje melodie, opgebouwd uit akkoordtonen
    • toonladdermotief
      • stukje melodie, opgebouwd uit secundes
    • periodisering
      • zinsbouw van 4,8, 16 maten.
    • zinssbouw
      • met bogen en kleine letters aan te geven elementen van een zin: voorzin, nazin en motiefgroepen daaronder.
    • sequens
      • herhalen van motief op andere toonhoogte
  2. liedsoorten
  3. rondo
    • Couplet en refrein
    • Frans rondo
      • abacada enz
    • Weens rondo
      • abacaba
  4. dansen
  5. variatie
    • Variaties op een thema
      • ritmische variaties; melodische variaties; tonale variaties; harmonische variaties.
  6. concerterende structuren
    • soloconcert
      • pianoconcert, vioolconcert, hoboconcert enz.
      • de rol van het soloinstrument t.o.v. het orkest
      • cadens in soloconcert
        • solistisch stuk zonder begeleiding, aanvankelijk ge«mproviseerd, later uitgeschreven. Meestal technisch lastig. Eindigend op dominant met triller van de solist, waarna het orkest weer inzet.
  7. symfonische structuren
    • ouverture
      • vooraf aan opera, maar later ook zelfstandig stuk met dramatisch onderwerp
    • Klassieke vierdeling sonate en symfonie.
      • allegro, andante, tempo di menuetto, allegro of presto
    • Indeling van de hoofdvorm:
      • expositie: thema I, overgang, thema II, slotgroep.
      • Doorwerking.
      • Reprise: (of re-expositie) thema I, verbinding, thema II, slotgroep.
      • Coda.
    • Toonsoorten gekoppeld aan hoofdvorm.
      • expositie thema 1 in hoofdtoonsoort, thema 2 in dominant of parallel
      • reprise beide thema's in hoofdtoonsoort
    • Menuet of scherzo als derde deel van een symfonie
      • ABA driekwarts maat, tempo di menuettto (= vlot)

 

Muziek en cultuur: Weense klassieken

  • Weense klassieken
    • stijlperiode uit de muziekgeschiedenis van 1750 tot ongeveer 1815, met als belangrijkste componisten: Haydn, Mozart en Beethoven
  • gematigde contrasten
    • stijlkenmerk van Weense klassieken.
  • contrasten:
    • tutti - solo
    • hard - zacht
    • homofoon - polyfoon
    • unisono - akkoord
    • blazers - strijkers
    • majeur - mineur
    • snel - langzaam
    • tonica - dominant
  • overige kenmerken: periodisering, drieklankmotieven, albertijnse bas

 

Periode 2

thema

19e eeuw

  1. romantiek

  2. symfonie

  3. het lied

  4. opera

musiceren

  1. Optreden bij voorspeelles, kerstmuziekavond, kerstsluiting
  2. koor

maken

  1. analyse Chopin - nakijken en nabespreken
  2. analyse Schumann - nakijken en nabespreken
  3. analyse symfonie nr.9 van Dvořák - nakijken en nabespreken
  4. Kies en beluister een programmatisch muziekstuk. Beschrijf kort wat het 'programma' is, oftewel, welk verhaal of ander thema wordt hier uitgebeeld? Suggesties: de Moldau van Smetana, Nacht op de Kale Berg van Moussorgsky, Danse Macabre van Saint Saent, de tovenaarsleerling van Dukas. - na laten kijken door docent

musiceren

  1. mini-opera
  2. comfort of niet-comfortzone

syllabus / leren

 

  1. ritme
    1. antimetrische figuren
      • triool, duool, kwintool
  2. maat
  3. tempo
  4. toonhoogte
    1. chromatiek in melodie
  5. toonsoort
  6. dynamiek
    1. forte, fortissimo, mezzxo-forte
    2. piano, pianissimo, mezzo-piano
    3. crescendo, decrescendo of diminuendo
    4. sforzando
  7. samenklank
    1. verminderd interval, verminderd akkoord
    2. terstverwantschap
    3. chromatiek in akkorden
  8. uitvoeringspraktijk
    1. articulatie en frasering
    2. arco, arpeggio, vibrato
    3. pizzicato
    4. staccato portato legato
    5. partituur, *systeem
  9. melodische relaties
  10. liedsoorten
  11. klankkleur
  12. rondo
  13. dansen
  14. variatie
  15. concerterende structuren
  16. symfonische structuren
  17. polyfone structuren
  18. mis, oratorium, opera, musical
  19. algemene structuurbegrippen

 

Periode 3

thema

renaissance 1400-1600 en barok 1600-1750

  1. renaissance
  2. ontstaan van polyfone meerstemmigheid
  3. kerktoonsoorten, tactus en puls
  4. barok en de basso continuo praktijk
  5. opera, cantate, oratorium en passie
  6. fuga
  7. suite

musiceren

  1. Optreden bij voorspeelles
  2. koor

maken

  1. barok - nakijken en nabespreken
  2. fuga - nakijken en nabespreken
  3. polyfonie - nakijken en nabespreken
  4. matthaeus passion - nakijken en nabespreken

syllabus / leren

  1. ritme
    • inégalité
  2. maat
    • *C als 4 kwarts of twee halve-noten maat
  3. tempo
    • adagio, lento, grave, largo
    • andante, moderato
    • allegro, presto
    • ritenuto, ritardando, rallentando
    • a tempo
    • tempotoevoegingen:
      • meno, mosso, -issimo, -etto, -ino
  4. toonhoogte
    • sequens
    • 8 boven of onder de sleutel (8va)
  5. toonsoort
    • modaliteiten, kerktoonsoorten
    • mineurvarianten: harmonisch mineur, melodisch mineur, natuurlijk mineur = basisladder volgens voortekens aan de sleutel
  6. dynamiek
    • terrassendynamiek
    • echodynamiek
  7. samenklank
    • homofonie en polyfonie
    • consonant en dissonant
    • bourdon
    • orgelpunt
    • tweestemmigheid, driestemmigheid enz.
    • picardische terts (grote terts in slotakkoord mineurstuk)
  8. uitvoeringspraktijk
    • interpretatie
  9. melodische relaties
    • chromatiek, chromatische effecten
    • melodische spanning en ontspanning
    • sequens
  10. liedsoorten x
  11. klankkleur
    • barok trio (basso continuo: clavecimbel en basinstrument zoals cello of gamba en twee melodieinstrumenten)
  12. rondo x
  13. dansen
    • Pavane, gaillarde. (renaissance)
      Suite = serie barokdansen zoals:
      • Allemande, courante, sarabande, gigue, gavotte, bourrZ¯e.
      • Menuet
  14. variatie
    • Volgen van een thema in een chaconne of passacaglia;
      Beschrijven van de aard van variaties.
  15. concerterende structuren
    • Dubbelkorigheid
    • Concerto grosso met Concertino (solistengroep) en tutti (hele orkest)
  16. symfonische structuren x
  17. polyfone structuren
    • Volgen van steminzetten.
    • een cantus firmus. (compositietechniek uit de renaissance) = bestaande melodie, vaak de tenor, waaromheen andere polyfone stemmen gecomponeerd zijn)
    • Stemvoeringsaspecten: gelijke (= parallelle) beweging.
    • Tegenbeweging.
    • Imitatie.
    • Stemparen.
    • Tegenmelodie.
    • Spiegeling.
    • Vergroting en verkleining.
    • Cantus firmus.
    • Canon.
    • Madrigaal, motet.
    • Fuga: expositie; doorwerking;
      divertimento; stretto
  18. mis, oratorium, opera, musical
    • recitatief; secco en accompagnato
    • aria
    • tekstuitbeelding
    • opera
    • oratorium, passie, cantate
    • mis: vijf delen beginnen met de woorden: kyrie, gloria, credo, sanctus, agnus dei
    • requiem (dodenmis)
  19. algemene structuurbegrippen
    • baslijn
    • beweging
    • motoriek
    • complementair
    • complex
    • omvang
    • ontwikkeling
    • tegenmelodie
    • tegenstem
    • tekstuitbeelding
    • verbinding
    • verdichting
    • verdunning
    • vergroting
    • verkleining
  • renaissance
  • barok

 

 

Periode 4

thema

20e eeuw 1

  1. powerpoint 20e eeuw 1

  2.  impressionism (Debussy, Ravel), expressionisme (dodecafonie), neo-stijlen (Strawinsky Pulcinella)

 

tentamens

theorie

leerstof 4v + 5v periode 1 t/m 3 + solfège: dictee met melodie in de g-sleutel met maximaal vier voortekens

musiceren

kies twee uit drie mogelijkheden: combostuk, ritmestuk, vocaal stuk. Maak groepen van max 5 personen. Kies en bewerk een bestaand stuk of maak zelf iets. Studeer het stuk goed in. In deze periode gaan alle praktijlessen naar de voorbereiding van dit tentamen.

 

maken

  1. bartok - nakijken en nabespreken

  2.  ives - nakijken en nabespreken

  3. keuzeopdracht componeren:
    • schrijf een stuk met minstens drie maatwisselingen; bijv: 4/4 3/4 2/4 3/8 4/4 , voor minimaal een melodieinstrument en een ritme-instrument.
    • schrijf met iemand anders een bitonaal stukje (in 2 toonsoorten tegelijkertijd) Doe dat bijvoorbeeld voor quatre main piano. Of xylofoon + gitaar, enz.
    • schrijf een dodecafonisch stukje voor piano. Start met de volledige reeks van 12 tonen, daarna maak je een keuze uit: kreeft, omkering, omkering van de kreeft. Ook akkoorden bestaan uit tonen van de reeks. Voeg expressie toe door: veel contrast met dynamische symbolen, een onvoorspelbaar ritme waarin ook rusten een belangrijke rol spelen, registergebruik, dus veel heen en weer springen tussen verschillende octaven, veel klankkleurverschillen (op 1 instrument doe je dat door registergebruik of speelmanier.

 

syllabus / leren

 

  1. ritme
    1. polyritmiek
    2. vrij ritme
  2. maat
    1. maatwisseling
    2. onregelmatige maatsoort
    3. polymetriek
  3. tempo
  4. toonhoogte
    1. *microtonaliteit
  5. toonsoort
    1. tonaal - atonaal
    2. bitonaal
    3. polytonaal
    4. pentatoniek
    5. hele toonstoonladder
    6. dodecafonie, reeksen
  6. dynamiek
  7. samenklank
    1. cluster
  8. uitvoeringspraktijk
    1. sprechgesang
  9. melodische relaties
  10. liedsoorten
  11. klankkleur
  12. rondo
  13. dansen
  14. variatie
  15. concerterende structuren
  16. symfonische structuren
  17. polyfone structuren
  18. mis, oratorium, opera, musical
  19. algemene structuurbegrippen