Inleiding

In dit jaar gaan we veel zingen. Zingen is de basis van je muzikale voorstellingsvermogen. Daarnaast wordt er gespeeld met klasse-instrumenten en eigen instrumenten, ieder vanuit het eigen niveau. Basisvaardigheden voor het spelen en lezen vanuit het notenschrift moet iedereen leren. Elk pensum heeft een leergedeelte en een verwerkingsopdracht. Voor degene die al meer ervaring heeft met muziek is er extra stof met een * erbij.

 

pensum 1

  1. notatie ritme
  2. ritme noteren en voorspelen / testopdracht ritme op de computer
  3. wereldmuziekopdracht
  4. wereldmuziekspeelstuk
  5. proef

pensum 2

  1. notatie toonhoogte
  2. melodie noteren en voorspelen
  3. melodische improvisatie
  4. solozingen
  5. proef

pensum 3

  1. partituurlezen en vormanalyse
  2. opdracht het symfonieorkest
  3. compositie en grafische partituur
  4. proef

pensum 4

  1. compositieopdracht - grafische partituur voorbeeld
  2. akkoorden en intervallen
  3. voorspeelles
  4. proef

 

 

Theorie

Toonhoogte

  • Stamtonen zijn de notennnamen met de losse letters A BC D E F G

  • Afgeleide tonen zijn velengde notennamen:
    • Molteken: (b) verlaagt de toon een halve (notennaam + es) : Ces, Des, Es, Fes, Ges, As, Bes
    • kruisteken: # verhoogt de toon een halve (notennaam + is) : Cis, Dis, Eis, Fis, Gis, Ais, Bis

Melodie

  • melodie bestaat uit een reeks tonen van verschillende hoogtes.
  • Een melodie eindigt het liefst op de grondtoon van de toonladder die gebruikt wordt.
  • In langere melodieën hoor je net als in tekst punten en komma's tussen de zinnen. Daardoor voel je de vorm. Omdat het moeilijk is overzicht te krijgen over muziek moet de vorm duidelijk zijn.
  • Een belangrijke melodie in een muziekstuk heet een thema. Veel melodieën worden daarvan afgeleid of zijn juist een tegenstelling tot het thema.

Toonduur (ritme)

  • de lengte van een toon noemen we een notenwaarde.
  • de notenwaarden uit de volgende tekening moet je kennen.

  • Een noot bestaat uit een open of dichte kop, eventueel aangevuld met stok, vlag of balk
  • *achtste rust

Voorbeeld van het benoemen van notennamen en notenwaarden

 

Kwartnoot C; kwartnoot D; halve rust; hele rust; kwartnoot E; kwartrust; achtste noten F en G aan elkaar geschreven, kwartnoot A, drie-kwartsnoot Bb; kwartnoot F#

 

Maatsoorten

  • Een maat is een steeds herhaald patroon van sterke en zwakke tellen,
    bijvoorbeeld 1 2 3 4 1 2 3 4 (maat in vieren) of 1 2 3 1 2 3 (maat in drieën)
  • vierkwartsmaat
  • driekwartsmaat
  • tweekwartsmaat
  • zesachtste maat

 

Maatteken

  • bovenste cijfer: hoeveel tellen in 1 maat zitten
  • onderste cijfer: teleenheid; 4 = kwartnoot, 8 = achtste noot

Sleutels

  • Een sleutel geeft aan met welke noot je begint om alle andere te kunnen benoemen.
  • G-sleutel (g op 4e lijn)
  • F-sleutel (f op 2e lijn)
  • C-sleutel (c op 3e lijn)

 

Vormtekens

  • eindstreep
  • herhalingstekens
  • maatstrepen
  • maatcijfers (voor het tellen van de maten)

 

Vorm

  • A = eerste belangrijke melodie (thema)
  • B = 2e belangrijke melodie C, D, E enzovoort
  • A' = variatie op A
  • A'' = 2e variatie op A
  • Intro = inleiding
  • Coda = slotstuk
  • Ov = overgang naar nieuw gedeelte
  • Verb. = vebindend stuk voor een herhaling

 

Akkoorden

  • Een akkoord is een tertsenstapeling van drie tonen of meer.
  • Een drieklank is het eenvoudigste akkoord, bestaande uit een 1e toon (grondtoon van het akkoord), 3e toon (terts), en 5e toon (kwint)

(een melodie heeft ook een grondtoon, maar dat is de eerste toon van de toonladder)

Voorbeeld:

C-E-G is een C akkoord, want E is de derde toon op C en G de vijfde op C.

*E-G-C lijkt een E akkoord maar is het niet. Want al is de G de derde toon op E, de C is niet de derde op G, maar de vierde. Alleen als je de letters verwisselt zodat het weer een tertsenstapeling is, klopt het akkoord en is de eerste noot de grondtoon. Een akkoord waarbij de laagste toon niet de grondtoon is heet een omkering.

*C-E-G is de gewone volgorde 1-3-5 en heet grondligging

*Een akkoord waarbij de tonen na elkaar klinken in plaats van tegelijk heet een gebroken akkoord.

*Drieklank op C en twee omkeringen; gebroken drieklank op C; mineur drieklank op C

*neem een kijkje in de bovenbouw

 

Toonladder

  • Een toonladder is een reeks tonen die gebruikt worden voor een melodie.
  • De eerst toon van een toonladder is de grondtoon. Elke melodie wil aan het einde terug naar de grondtoon.
  • tussen de tonen zitten hele en halve toonsafstanden. In de ladder van C zijn er halve toonsafstanden tussen e en f en tussen b en c, op de piano zie je hier dan ook geen zwarte toetsen omdat er geen toon tussen zit.
  • De bekendste toonladder is de majeur ladder: c d e f g a b c (do re mi fa so la si do)
  • Daarnaast is de mineur ladder veel gebruikt: a b c d e f g(is) a

Vooral de derde toon, de grote of kleine terts is bepalend voor het majeur of mineur gevoel.

*neem een kijkje in de bovenbouw

Intervallen

  • Een interval is het verschil in toonhoogte tussen twee tonen.
  • c-c heet priem (1), c-d secunde (2), c-e terts (3), c-f kwart (4), c-g kwint (5), c-a sext (6), c-b septiem (7), c-c hoog (8) octaaf
  • Voor deze namen tel je het aantal letters uit de toonladder en niet de afstanden ertussen

Voorbeeld

D-G is een kwart (4), want het laddertje van D naar G ( D_E_F_G) bestaat uit vier tonen uit de toonladder.

*Omdat de toonsafstanden soms heel en soms half zijn bij de witte toetsen moet je goed opletten bij het precies berekenen van kleine en grote intervallen.

*D-Gis, D-G en D-Ges zijn allen kwarten, maar verschillend van klank.

*Andersom kunnen twee verschillende intevallen hetzelfde klinken, bijvoorbeeld c-dis en c-es

*Een grote terts bestaat uit twee hele toonsafstanden: C (-d) –E, een kleine terts uit anderhalve toonsafstand: C (-d) –Es.

*neem een kijkje in de bovenbouw

 

Klankkleur

  • Gelijke tonen kunnen verschillend klinken: elk instrument en stem heeft een unieke klankkleur.

*Dit verschijnsel wordt veroorzaakt doordat elke toon uit een heleboel verschillende toonhoogtes bestaat, "boventonen"

  • elk instrument heeft zijn eigen unieke klankkleur.
    Dat komt door: de manier van toonopwekking (strijkstok, op bepaalde manier blazen, slaan met bepaalde soort stok enzovoort), de materialen waarmee het instrument gebouwd is, de vorm van het instrument.
  • Binnen die klankkleur kan je ook nog varieren door de speelwijze (hard blazen, zacht blazen, hoe zet je de toon aan, strijken met of zonder druk op de snaren, enzovoort).
  • De instrumenten die je moet herkennen van een plaatje zijn: dwarsfluit, blokfluit, hobo, klarinet, fagot,hoorn, trompet, trombone, bastuba, viool, altviool, cello, conrabas, piano (vleugel), bassdrum, hihat, keyboard, saxofoon, akoestische gitaar (spaans), electrische gitaar, basgitaar (electrisch. )harp, xylofoon, vibrafoon (metallofoon), klokkenspel, pauk, drumstel, bekken, snaredrum, djembe, doundoun, conga, maracas, (kerk)orgel. Instrumenten die je moet herkennen aan het geluid zijn cursief in dit rijtje. Hoe vaker je naar een concert gaat hoe gemakkelijker dit is.
  • *Instrumentenindelingen zijn er in allerelei soorten: gestreken snaarinstrumenten, getokkelde snaarinstrumenten, geslagen snaarinstrumenten, percussieinstrumenten met vel, melodische percussie instrumenten, latin-america percussie, electronische instrumenten, toetsinstrumenten, enzovoort.
  • Ook stemmen hebben elk hun klankkleur. Meer daarover in de tweede klas
  • Het herkennen van klankkleuren vereist veel ervaring. Probeer het hier.

Het symfonieorkest

  • De instrumentengroepen in het orkest zijn: houtblazers, koperblazers, strijkers en slagwerk. Soms speelt er ook een harp of piano mee.
  • De houtblazers bestaan uit: dwarsfluit, hobo, klarinet, fagot, van ieder twee.
  • De koperbalzers uit: hoorn, trompet, trombone, bastuba, (behalve de bastuba van ieder 2 of 3)
  • De strijkers uit: viool 1, viool 2, altviool, cello, contrabas. (van ieder vele instrumenten)
  • Het slagwerk bstaat uit een basis van pauken, grote trom, kleine trom, triangel en bekken, en wordt vaak aangevuld met van alles en nog wat.
  • De dirigent leidt het orkest. Hij slaat de maat, geeft het tempo aan, geeft inzetten en afslagen, zorgt voor de goede dynamiek, laat het karakter van het stuk zien. Bij repetities geeft hij aan wat hij wil met het stuk, repeteert moeilijke stukken en kijkt in zijn partituur als hij niet zeker is van de noten die hij hoort.
  • In een partituur staan alle partijen die tegelijk klinken onder elkaar met verticaal doorlopende maatstrepen..
  • Met maatcijfers kan hij elke plaats aanwijzen.

.

Dynamiek

  • Dynamiek is geluidssterkte. (Hoe meer energie, hoe sterker de trillingen dus hoe harder het klinkt)
  • f=forte=sterk/hard/luid
  • p=piano=zacht
  • crescendo = harder worden
  • diminuendo = zachter worden

 

Tempo

  • Tempo is de snelheid van de maat
  • Allegro = vlot
  • Andante = rustig
  • Ritenuto = vertragen
  • Het tempo kan worden aangeduid met noten per minuut.

 

Iets over het spelen op veel gebruikte instrumenten

De witte toetsen van de piano zijn de stamtonen c d e f g a b enzovoort.

De zwarte toetsen zijn afgeleide tonen. Elke zwarte toets kan van twee kanten afgeleid worden. Een g verlagen naar ges is hetzelfde als een f verhogen naar fis.

Veel staafinstrumenten hebben dezelfde indeling:

 

Snaarinstrumenten

Op een snaarinstrument verhoog je de toon door de snaar met een vinger af te knijpen zodat het trillende deel korter wordt. Bij een gitaar zijn er fretten aangebracht om de plaats van elke halve toon vast te keggen. Bij violen moet je dat op het gevoel leren. Als je de namen van de losse snaren kent kan je elke toon op een (bas)gitaarvinden.

 

Improvisatie

  • maak je improvisatie even lang als het akkoordschema dat begeleidt
  • gebruik de goede toonladder
  • begin en eindig op de grondtoon
  • maak geen blindelingse sprongen, maar maak melodie door tonen dicht bij elkaar te houden
  • varieer het ritme, doe iets anders dan de begeleiding.
  • dynamische verschillen (hard en zacht) kunnen heel mooi zijn