Inleiding

In dit jaar beginnen we met de stem, omdat deze sterk veranderd. We zetten de stem ook in voor muzikale mogelijkheden buiten het zingen. Verder gaan we dit jaar aan de ene kant meer de eigen muziekwereld in want we maken een popsong, aan de andere kant proberen we een venster te openen naar het eindeloze terrein van de wereldmuziek. We sluiten het jaar af met het maken van een filmpje met muziek.

pensum 1

  1. afronding 1e jaar
  2. spreekstuk in ritmetaal
  3. tekst en stemexpressie
  4. clinic tekst en melodie
  5. proef

pensum 2

  1. clinic drum
  2. clinic toetsen
  3. clinic basgitaar
  4. clinic gitaar
  5. proef

pensum 3

  1. clinic tekst en metrum
  2. maken popsong eigen inbreng (proces)
  3. uitvoeren popsong

pensum 4

De stem en het gehoor

Vragen en antwoorden over de stem

 

E

F

G

A

B

c

d

e

f

g

a

b

c'

d'

e'

f'

g'

a'

b'

c''

d''

e''

f''

g''

a''

b''

c''

octaafnaam

Groot octaaf

klein octaaf

Z¯Z¯ngestreept octaaf

tweegestreept octaaf

 

eigen omvang

                                                     

sopraan

                                                     

mezzo-sopraan

                                                     

alt

                                                     

tenor

                                                     

bariton

                                                     

bas

                                                     

Analyse van een spreker.

spreekstijl

erg

nogal

gemiddeld

nogal

erg

Tempo

langzaam

     

snel

Ritme

monotoon

     

gevarieerd

hoogte

laag

     

hoog

melodie

eentonig

     

melodieus

dynamiek

zacht

     

hard

klankkleur

wollig

     

nasaal

articulatie

onduidelijk

     

scherp

frasering (zinsbouw)

normaal

     

onlogisch

klemtoon

normaal

     

overdreven

accent

normaal

     

vreemd

Vocaal ritme stuk

Groepsopdracht voor vijf à zes leerlingen.

Ieder imiteert met de stem een ritme instrument en bedenkt een patroon. Zet dit tegen die van andere groepsleden af. Samen moet het een lekker swingende groove worden. bedenk een begin en eindcall en laat dit stuk een minuut strak in de maat lopen.

 

Stemexpressie

Normaal gesproken is tekst bedoeld om de betekenis duidelijk te maken, en soms ook een onderliggende bedoeling. Bijvoorbeeld spot of humor. Tekst kan ook een muzikale betekenis krijgen. Neem een tekst en pas Z¯Z¯n of meer van onderstaande mogelijkheden toe. doe dat een keer op een betekenisvolle manier, maar ook eens op een tegendraadse manier.

  • Ritme benadrukken door herhaling van patronen.
  • Maat benadrukken door klemtonen.
  • Melodie benadrukken door zangerige voordracht.
  • Dynamiek toepassen om spanning in te bouwen.
  • Stilte invoegen om spanning te cre•ren.
  • Meerstemmigheid maken door canon techniek,
  • Toonhoogte verschillen, spreken in akkoorden, een ¥bas leggen en daarover een beweeglijke stem.
  • Klankkleurverschillen gebruiken door stemsoorten of combinatiesvan af te wisselen.
  • Vorm geeft houvast: laat bijvoorbeeld het begin aan het eind terugkomen, of werk met een refrein. Maar voorkom teveel voorspelbaarheid door herhalingen te vari•ren.

Groepsopdrachten - suggesties

  1. Maak een muzikale verklanking van Z¯Z¯n van de gegeven gedichten, (zie onderaan) Het mag alleen met je stem. Doe dat door het geheel iets aparts mee te geven: kies Z¯Z¯n of enkele aspecten uit het schema (tempo, ritme€ enz.) en speel daar mee. Een extra aspect dat je kan gebruiken is meerstemmigheid en afwisseling tussen de groepsleden. Trek je niet veel aan van de verstaanbaarheid. Maak goede afspraken, noteer ze waar nodig in de tekst en oefen het in. Uitvoeren voor de KLAS. Groepsgrootte: 3-5
  2. Spreken (zingen) in akkoorden.Minimaal drie zangers zingen hun zin op een akkoordtoon.
  3. Woordritmes.Elke stem maakt van n of meerdere woorden een ritmisch patroon. Na elkaar invallen of tegelijk beginnen. Ook eind afspreken: tegelijk, na elkaar of steeds zachter worden, of moeilijker: de ritmes steeds verder uitdunnen.
  4. Dynamiek. Elke stem heeft een eigen dynamisch verloop, zodat je dan de ene en dan de andere stem op de voorgrond hoort. Ook fluisteren gebruiken.
  5. Van Z¯Z¯n- naar meerstemmig en terug. Allemaal op dezelfde manier beginnen, daarna steeds stemmen afsplitsen die een eigen weg volgen, totdat alles weer samenkomt.
  6. Articulatie uit elkaar halen. Elke letterklank loszetten van de volgende. Klanken verdelen over de groep. Elke zin moet minstens Z¯Z¯n keer te volgen zijn. Daarna ook verwerkingen mogelijk als: alleen de klinkers of alleen de medeklinkers.
  7. Gezongen kiemcellen. Begin met het eerste woord, dan de eerste twee woorden, dan de eerste drie, enzovoort. Andere stem kan na tijdje invallen maar de zin van achter naar voren doen. Weer ander kan in lang uitgerekte woorden een soort onderstem maken.

 

Het land is moe
Drs.P

Het land is moe
De hemel grijs
De wind is koud
Zo koud als ijs
Mijn jas is dun
De kleur is vaal
De weg is lang
De boom is kaal
Mijn rug is krom
En macht is recht
De lucht is vuil
Het brood is slecht
Het dak is lek
De vloer is rot
De ruit is stuk
Het kind is zot
La la la la, et cetera
De muur is klam
Het licht is zwak
De hond is vals
De stoel is wrak
Het geld is krap
Het brood is slecht
Of had ik dat
Al eens gezegd?
Het oog is dof
het bloed is rood
Het haar is grijs
Het paard is dood
Het vlees is taai
Het werk is zwaar
Het bier is duur
Het lied is klaar

Loemoem lammoem laroem lakoem
H.N.Werkman

Loemoem lammoem la roem lakoem
bergamotse pergolas
boestroem bastroem bestroem bostroem
arboesti arboesas
oemoem ammoem aroem akoem
postolorum pstolas
akroem baroem fakroem faroem
synagobi syncopas
oeloem aloem oesdroem nosdroem
akolasi rabotas
oeldroes knoeldroes boeldroes moeldroes
pastellorum crammacas
oemboem hoemboem zoem boem boemboem
castanorum castrafas

Op een vlo
Kees Stip

Een springerige vlo te Vlij-
men sprong in allerhande rij-
men van de ene regel o-
ver op de andere: hoe po-
ver is een dichter die wil grij-
pen wat niet huppelt naar zijn pij-
pen.

Turbogedicht
Naar Martin Bril's supergedicht

Dit is dus een zogenaamd
Turbogedicht
Niks bijzonders
Maar wel turbo
En een gedicht
Omdat het een gedicht is
Met andere woorden
Dus een turbogedicht
Dat gaat snel zeg

Ik voel me o zo heppie
Joke van Leeuwen


Ik voel me o zo heppie
zo heppie deze dag,
en als je vraagt: wat heppie
als ik eens vragen mag,
dan zeg ik: hoe wat heppie,
wat heppik aan die vraag,
heppie nooit dat heppieje
dat ik hep vandaag?

De bozbezbozzel
C. Buddingh

De bozbezbozzel lijkt wat op
Een jenk, maar heft een kleinre kop
Zijn poten staan steeds twee aan twee
als eenmaal bij het stekelree.
Hij hinnikt als een maliepaard,
en als het sneeuwt heeft hij een staart.
Wanneer die staart zijn kop zou zijn,
was hij precies een spieringzwijn.
En als hij zeven staarten had,
Een kolossale kolbakrat.
Nu lijkt hij nog het meeste op
een jenk, maar met een kleinre kop.

Gedicht
K.Schippers


In dit gedicht
is geen woord
te veel
Neem je er iets af
dan is het
niet meer heel

Theorie

Notatie

  • Stamtonen zijn de notennnamen met de losse letters A BC D E F G

  • Afgeleide tonen zijn velengde notennamen:
    • Molteken: (b) verlaagt de toon een halve (notennaam + es) : Ces, Des, Es, Fes, Ges, As, Bes
    • kruisteken: # verhoogt de toon een halve (notennaam + is) : Cis, Dis, Eis, Fis, Gis, Ais, Bis

 

Toonduur (ritme)

  • de lengte van een toon noemen we een notenwaarde.
  • de notenwaarden uit de volgende tekening moet je kennen.

  • Een noot bestaat uit een open of dichte kop, eventueel aangevuld met stok, vlag of balk
  • *achtste rust

Voorbeeld van het benoemen van notennamen en notenwaarden

 

Kwartnoot C; kwartnoot D; halve rust; hele rust; kwartnoot E; kwartrust; achtste noten F en G aan elkaar geschreven, kwartnoot A, drie-kwartsnoot Bb; kwartnoot F#

 

Maatteken

  • bovenste cijfer: hoeveel tellen in 1 maat zitten
  • onderste cijfer: teleenheid; 4 = kwartnoot, 8 = achtste noot

Sleutels

  • Een sleutel geeft aan met welke noot je begint om alle andere te kunnen benoemen.
  • G-sleutel (g op 4e lijn)
  • F-sleutel (f op 2e lijn)
  • C-sleutel (c op 3e lijn)

 

Vormtekens

  • eindstreep
  • herhalingstekens
  • maatstrepen
  • maatcijfers (voor het tellen van de maten)
  • 1 en 2
  • D.C.
  • D.S
  • al fine

 

Vorm

  • intro = inleiding
  • chorus = refrein
  • verse = couplet
  • bridge = contrasterend tussenstuk
  • break = korte solo, vaak drums
  • fade out = langzaam zachter worden
  • ballad = langzame popsong
  • AABA = veel voorkomende songvorm
  • intro, couplet 1, couplet 2, refrein, couplet 3, bridge, referein, refrein = standaard popstukvorm (AABACBB)

Akkoorden

  • Een akkoord is een tertsenstapeling van drie tonen of meer.
  • Een terts is de derde toon boven (of onder) een andere toon, de eerste meegerekend. Voorbeelden: C - E is een terts, E - G is een terts, maar ook F# - A is een terts. Steeds drie opeenvolgende letters.
  • Een drieklank is het eenvoudigste akkoord, bestaande uit een 1e toon (grondtoon van het akkoord), 3e toon (terts), en een terst op een terts (direct van de grondtoon geteld is dat een kwint)

(een melodie heeft ook een grondtoon, maar dat is de eerste toon van de toonladder)

Voorbeeld:

C-E-G is een C akkoord, want E is de derde toon op C en G de vijfde op C.

  • E-G-C lijkt een E akkoord maar is het niet. Want al is de G de derde toon op E, de C is niet de derde op G, maar de vierde. Alleen als je de letters verwisselt zodat het weer een tertsenstapeling is, klopt het akkoord en is de eerste noot de grondtoon. Een akkoord waarbij de laagste toon niet de grondtoon is heet een omkering.
  • C-E-G is de gewone volgorde 1-3-5 en heet grondligging
  • Een akkoord waarbij de tonen na elkaar klinken in plaats van tegelijk heet een gebroken akkoord.
  • Notenvoorbeelden: Drieklank op C in grondligging en twee omkeringen; gebroken drieklank op C; mineur drieklank op C

*neem een kijkje in de bovenbouw

 

Toonladder

  • Een toonladder is een reeks tonen die gebruikt worden voor een melodie.
  • De eerst toon van een toonladder is de grondtoon. Elke melodie wil aan het einde terug naar de grondtoon.
  • tussen de tonen zitten hele en halve toonsafstanden. In de ladder van C zijn er halve toonsafstanden tussen e en f en tussen b en c, op de piano zie je hier dan ook geen zwarte toetsen omdat er geen toon tussen zit.
  • De bekendste toonladder is de majeur ladder: c d e f g a b c (do re mi fa so la si do)
  • Daarnaast is de mineur ladder veel gebruikt: a b c d e f g(is) a

Vooral de derde toon, de grote of kleine terts is bepalend voor het majeur of mineur gevoel.

*neem een kijkje in de bovenbouw

Intervallen

  • Een interval is het verschil in toonhoogte tussen twee tonen.
  • c-c heet priem (1), c-d secunde (2), c-e terts (3), c-f kwart (4), c-g kwint (5), c-a sext (6), c-b septiem (7), c-c hoog (8) octaaf
  • Voor deze namen tel je het aantal letters uit de toonladder en niet de afstanden ertussen

Voorbeeld

D-G is een kwart (4), want het laddertje van D naar G ( D_E_F_G) bestaat uit vier tonen uit de toonladder.

  • Omdat de toonsafstanden soms heel en soms half zijn bij de witte toetsen moet je goed opletten bij het precies berekenen van kleine en grote intervallen.
  • D-Gis, D-G en D-Ges zijn allen kwarten, maar verschillend van klank.
  • Andersom kunnen twee verschillende intevallen hetzelfde klinken, bijvoorbeeld c-dis en c-es
  • Een grote terts bestaat uit twee hele toonsafstanden: C (-d) –E, een kleine terts uit anderhalve toonsafstand: C (-d) –Es.

*neem een kijkje in de bovenbouw

 


 

 

Theorie vanuit de brugKLAS.

Notatie

  • Stamtonen zijn de notennnamen met de losse letters A BC D E F G

  • Afgeleide tonen zijn velengde notennamen:
    • Molteken: (b) verlaagt de toon een halve (notennaam + es) : Ces, Des, Es, Fes, Ges, As, Bes
    • kruisteken: # verhoogt de toon een halve (notennaam + is) : Cis, Dis, Eis, Fis, Gis, Ais, Bis

 

Toonduur (ritme)

  • de lengte van een toon noemen we een notenwaarde.
  • de notenwaarden uit de volgende tekening moet je kennen.

  • Een noot bestaat uit een open of dichte kop, eventueel aangevuld met stok, vlag of balk
  • *achtste rust

Voorbeeld van het benoemen van notennamen en notenwaarden

 

Kwartnoot C; kwartnoot D; halve rust; hele rust; kwartnoot E; kwartrust; achtste noten F en G aan elkaar geschreven, kwartnoot A, drie-kwartsnoot Bb; kwartnoot F#

 

Maatteken

  • bovenste cijfer: hoeveel tellen in 1 maat zitten
  • onderste cijfer: teleenheid; 4 = kwartnoot, 8 = achtste noot

Sleutels

  • Een sleutel geeft aan met welke noot je begint om alle andere te kunnen benoemen.
  • G-sleutel (g op 4e lijn)
  • F-sleutel (f op 2e lijn)
  • C-sleutel (c op 3e lijn)

 

Vormtekens

  • eindstreep
  • herhalingstekens
  • maatstrepen
  • maatcijfers (voor het tellen van de maten)
  • 1 en 2
  • D.C.
  • D.S
  • al fine

 

Vorm

  • intro = inleiding
  • chorus = refrein
  • verse = couplet
  • bridge = contrasterend tussenstuk
  • break = korte solo, vaak drums
  • fade out = langzaam zachter worden
  • ballad = langzame popsong
  • AABA = veel voorkomende songvorm
  • intro, couplet 1, couplet 2, refrein, couplet 3, bridge, referein, refrein = standaard popstukvorm (AABACBB)

Akkoorden

  • Een akkoord is een tertsenstapeling van drie tonen of meer.
  • Een drieklank is het eenvoudigste akkoord, bestaande uit een 1e toon (grondtoon van het akkoord), 3e toon (terts), en 5e toon (kwint)

(een melodie heeft ook een grondtoon, maar dat is de eerste toon van de toonladder)

Voorbeeld:

C-E-G is een C akkoord, want E is de derde toon op C en G de vijfde op C.

  • E-G-C lijkt een E akkoord maar is het niet. Want al is de G de derde toon op E, de C is niet de derde op G, maar de vierde. Alleen als je de letters verwisselt zodat het weer een tertsenstapeling is, klopt het akkoord en is de eerste noot de grondtoon. Een akkoord waarbij de laagste toon niet de grondtoon is heet een omkering.
  • C-E-G is de gewone volgorde 1-3-5 en heet grondligging
  • Een akkoord waarbij de tonen na elkaar klinken in plaats van tegelijk heet een gebroken akkoord.
  • Drieklank op C en twee omkeringen; gebroken drieklank op C; mineur drieklank op C

*neem een kijkje in de bovenbouw

 

Toonladder

  • Een toonladder is een reeks tonen die gebruikt worden voor een melodie.
  • De eerst toon van een toonladder is de grondtoon. Elke melodie wil aan het einde terug naar de grondtoon.
  • tussen de tonen zitten hele en halve toonsafstanden. In de ladder van C zijn er halve toonsafstanden tussen e en f en tussen b en c, op de piano zie je hier dan ook geen zwarte toetsen omdat er geen toon tussen zit.
  • De bekendste toonladder is de majeur ladder: c d e f g a b c (do re mi fa so la si do)
  • Daarnaast is de mineur ladder veel gebruikt: a b c d e f g(is) a

Vooral de derde toon, de grote of kleine terts is bepalend voor het majeur of mineur gevoel.

*neem een kijkje in de bovenbouw

Intervallen

  • Een interval is het verschil in toonhoogte tussen twee tonen.
  • c-c heet priem (1), c-d secunde (2), c-e terts (3), c-f kwart (4), c-g kwint (5), c-a sext (6), c-b septiem (7), c-c hoog (8) octaaf
  • Voor deze namen tel je het aantal letters uit de toonladder en niet de afstanden ertussen

Voorbeeld

D-G is een kwart (4), want het laddertje van D naar G ( D_E_F_G) bestaat uit vier tonen uit de toonladder.

  • Omdat de toonsafstanden soms heel en soms half zijn bij de witte toetsen moet je goed opletten bij het precies berekenen van kleine en grote intervallen.
  • D-Gis, D-G en D-Ges zijn allen kwarten, maar verschillend van klank.
  • Andersom kunnen twee verschillende intevallen hetzelfde klinken, bijvoorbeeld c-dis en c-es
  • Een grote terts bestaat uit twee hele toonsafstanden: C (-d) –E, een kleine terts uit anderhalve toonsafstand: C (-d) –Es.

*neem een kijkje in de bovenbouw